UTRECHT Het vorige week door Studiegroep 9 gepubliceerde rapport over o.a. de zegeningen van koppels van gelijk geslacht, wijkt op verontrustende wijze af van de consistente morele leer van de rooms-katholieke kerk, zegt kardinaal Wim Eijk, uiteraard via buitenlandse en weinig objectieve journalistieke media.
“Hoewel de auteurs van de studiegroep beweren dat zij “niet de competentie of, belangrijker nog, de noodzakelijke kerkelijke bevoegdheid” hebben om individuele morele vraagstukken definitief te beantwoorden, ondermijnen de methodologie en het kader van het rapport systematisch het vermogen van de kerk om haar morele leer te verkondigen en toe te passen. Dit is niet slechts een technisch tekort, maar een fundamentele tegenstrijdigheid met de katholieke leer die een krachtig antwoord vereist”, aldus Eijk via de Amerikaanse media.
“De meest directe zorg betreft de behandeling van relaties tussen personen van hetzelfde geslacht in het rapport. De auteurs van het rapport nemen uitspraken van hen zonder correctie of verduidelijking over”, volgens Eijk
“De redenering van de in het rapport genoemde getuigen zijn fundamenteel onjuist. Homoseksuele handelingen zijn inherent kwaad: dit is een vaststaand katholiek leerstuk. Een gelovige christen die zich aan dergelijke handelingen schuldig maakt, schiet zeker tekort in geloof, voor zover hij niet vertrouwt op Gods genade, die hem in staat stelt zonde te vermijden. Maar dit betekent niet dat de zonde primair in het gebrek aan geloof ligt in plaats van in de daad zelf, zoals de getuigen beweren. Het feit dat de auteurs dit punt niet verduidelijken, creëert een gevaarlijke dubbelzinnigheid”, zegt Eijk.
Een tweede getuigenis is volgens Eijk nog problematischer. “Een getuige zocht eerst hulp bij Courage International, de katholieke apostolaatorganisatie die mensen met homoseksuele gevoelens leert hoe ze in overeenstemming met de leer van de kerk over kuisheid kunnen leven. Het rapport schets een negatief beeld van Courage, suggereert dat de organisatie geloof en seksualiteit scheidt en beweert ten onrechte dat ze conversietherapie aanbiedt. De getuige vindt uiteindelijk haar toevlucht in christelijke gemeenschappen en bij priesters die “mensen verwelkomen die zijn afgewezen omdat ze tot de LGBT-gemeenschap behoren”. De duidelijke implicatie is dat deze tweede getuige, die een relatie heeft met iemand van hetzelfde geslacht, dit doet met de steun en goedkeuring van deze priesters en gemeenschappen. Door dergelijke getuigenissen zonder leerstellige toelichting te belichten, normaliseert het rapport in feite homoseksuele relaties binnen de kerk. Dit is een duidelijke poging om de verkondiging van de katholieke morele leer te ondermijnen, zo zegt Eijk.
Volgens de Utrechtse kardinaal schuilt het grootste probleem in het gehele methodologische kader van het rapport. “De auteurs onderwerpen alles aan de beschrijving van een “synodaal proces” dat draait om de gebruiken en ervaringen van mensen. Ze verwerpen expliciet wat zij noemen “het abstract en deductief verkondigen en toepassen van onveranderlijk en rigide vastgestelde principes”. In plaats daarvan pleiten ze voor het handhaven van een “vruchtbare spanning tussen wat is vastgelegd in de kerkleer en de pastorale praktijk, en de praktijken van het leven”. Deze taal klinkt pastoraal en christocentrisch, maar verhult een radicale afwijking van de katholieke moraaltheologie. De auteurs beroepen zich op Jezus’ uitspraak dat “de sabbat er is voor de mens, niet de mens voor de sabbat” om te suggereren dat morele normen niet absoluut kunnen zijn – dat er uitzonderingen moeten zijn op basis van individuele omstandigheden en ervaringen. Dit is een fundamentele misinterpretatie van de Schrift. Jezus’ onderwijs over de sabbat verwees naar de goddelijke positieve wet – regels die in de Schrift zijn geopenbaard en die niet per definitie absoluut zijn, tenzij ze overeenkomen met de natuurwet. Joodse liturgische wetten zijn in het Nieuwe Testament feitelijk vervangen. Maar de morele wet met betrekking tot huwelijk en seksualiteit is geheel anders. Deze regels vloeien voort uit de natuurwet, die Gods plan weerspiegelt bij de schepping van de mens, het huwelijk en de seksualiteit zelf. God schiep het huwelijk als een wederzijdse en volledige zelfovergave tussen een man en een vrouw, waardoor zij menselijk leven kunnen doorgeven. Seksuele differentiatie en openheid voor het leven zijn essentiële elementen van deze volledige zelfovergave. Seksuele handelingen tussen personen van hetzelfde geslacht kunnen een dergelijke volledige zelfovergave niet vormen, omdat ze van nature gesloten zijn voor de overdracht van leven. Elke handeling die Gods scheppingsbedoeling met betrekking tot het huwelijk en de seksualiteit schendt, is altijd ontoelaatbaar, zonder uitzondering. Dit zijn absolute normen van het natuurrecht, vastgesteld om niet-onderhandelbare waarden te beschermen”, aldus Eijk
Eijk vervolgt: “Het rapport creëert juist op dit punt opzettelijke ambiguïteit. De auteurs schrijven dat “de universele waarheid van de mensheid, in haar historische uitdrukking, daarom niet voor eens en voor altijd kan worden vastgesteld, maar te vinden is in de concrete vormen van verschillende culturen, in een voortdurende dialoog.” Ze suggereren dat het verkrijgen van morele kennis een langdurig, synodaal proces van luisteren tussen culturen en ervaringen vereist. Dit is simpelweg onjuist. De bedoelingen waarmee God de mens schiep in de context van huwelijk en seksualiteit zijn universele waarheden, eens en voor altijd vastgesteld, die mensen spontaan kunnen leren kennen door de natuurlijke morele wet en die te vinden zijn in de Heilige Schrift. De heilige Paulus leert dat wanneer heidenen, “die de wet niet hebben, van nature de eisen van de wet vervullen, zij een wet voor zichzelf zijn, ook al hebben zij de wet niet. Zulke mensen tonen aan dat de eisen van de wet in hun hart geschreven staan” (Romeinen 2:14-15). De afwijzing in het rapport van het toepassen van universele morele waarheden op specifieke handelingen wordt verder benadrukt in het principe van “pastoralisme”. Dit principe is leidend voor het “onderscheiden van opkomende vraagstukken” binnen het synodale proces. De commissie geeft de voorkeur aan de uitdrukking “opkomende vraagstukken” boven “controversiële vraagstukken” omdat “de logica van het ontstaan de nadruk legt op het vermogen van het gehele Volk van God om ‘bij het probleem te blijven’ in plaats van het op te lossen.” In de praktijk betekent dit dat men “een probleemoplossend perspectief, of dat van hen die menen actie te kunnen afleiden uit de simpele toepassing van regels”, moet vermijden. De commissie zoekt niet naar “een generaliseerbare oplossing”, maar naar “concrete manieren om een proces van luisteren op gang te brengen”. Dit houdt in dat men “het theoretische model overstijgt dat de praktijk afleidt uit een vooraf vastgestelde doctrine”. Met andere woorden, het rapport laat de toepassing van de kerkleer en de klassieke moraaltheologie op pastorale zorg en biecht achterwege. Dit komt voort uit een hardnekkig misverstand dat de pastorale theologie sinds de jaren zestig parten speelt: de opvatting dat pastorale zorg bestaat uit het vinden van compromissen tussen de morele leer van de Kerk en de concrete realiteit van het leven van mensen. Deze benadering gaat ervan uit dat morele waarheid een dubbele status heeft – abstracte leerstellige waarheid enerzijds en concrete existentiële waarheid anderzijds – en geeft prioriteit aan de laatste om ruimte te creëren voor uitzonderingen op universele normen.”
Veritatis Splendor
Ook wijst Eijk naar Paus Johannes Paulus II, die verwierp deze benadering krachtig in Veritatis Splendor : “Op basis hiervan trachten zij zogenaamde ‘pastorale’ oplossingen te legitimeren die in strijd zijn met de leer van het Magisterium, en een ‘creatieve’ hermeneutiek te rechtvaardigen, volgens welke het morele geweten in geen enkel geval gebonden zou zijn aan een specifiek negatief voorschrift.”
Ware pastorale zorg zoekt geen compromissen met de morele waarheid. De pastor leidt mensen naar de waarheid, die uiteindelijk te vinden is in de Persoon van Jezus Christus. Hij moet degenen die aan zijn zorg zijn toevertrouwd aanmoedigen om hun handelen in overeenstemming te brengen met de waarheid zoals die is vastgelegd in morele normen. Er is geen sprake van authentieke pastorale naastenliefde in het verhullen van de morele waarheid of in het suggereren dat universele normen uitzonderingen toelaten op basis van individuele omstandigheden.
Het rapport van Studiegroep 9 is volgens behoudende katholieken, waaronder Eijk, in fundamentele tegenspraak met de katholieke moraalleer en ondermijnt de toepassing ervan op moreel gedrag volledig. Het relativeert de morele leer van de kerk, met gevolgen die veel verder reiken dan kwesties van seksualiteit en zelfs de bescherming van het menselijk leven betreffen. Dit rapport moet krachtig worden weerlegd.
Ondertussen moeten gelovigen lijdzaam de verbale gevechten van een kleine en slinkende groep prelaten aanhoren. Hun verbale aanvallen tonen steeds meer hun onmacht aan. Zij weten dat, zeker in Europa, een andere liberalere wind waait, met op de meeste punten ‘rugdekking’ van de Paus. Eijk en de zijnen lijken dan ook steeds meer op ‘roependen in de woestijn’, die ten koste van alles hun gelijk willen doordrukken, met als enig resultaat nog meer kerkverlating.























