Europees Hof: langdurige staatloosheid strijdig met art 8 EVRM

-STRAATSBURG- (RED)  Op 12 mei 2020 deed het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg wederom een belangrijke uitspraak over staatloosheid. Het Hof tikte Hongarije op de vingers omdat het een staatloze man ruim 15 jaar in onzekerheid heeft gelaten, hetgeen negatieve gevolgen heeft gehad voor de opbouw van zijn privéleven. Dat de man inmiddels een verblijfsvergunning heeft in Hongarije, laat onverlet dat Hongarije inbreuk heeft gemaakt op artikel 8 EVRM.

In 2002 kwam de heer Keita, van Somalische en Nigeriaanse afkomst, aan in Hongarije. Zijn asielaanvraag werd nog in 2002 afgewezen. Vanwege de burgeroorlog in Somalië en het niet erkend worden door Nigeria bleef hij uiteindelijk in Hongarije. In de periode 2002 – 2017 ondernam Keita meerdere pogingen om een verblijfsvergunning te bemachtigen, steeds zonder resultaat. Slechts één keer lukte het kort: in 2006 werd hem voor de duur van 2 jaar een status verleend op grond van humanitaire omstandigheden. Pas in 2015 werd Keita erkend als staatloos persoon en niet eerder dan in 2017 kreeg hij een definitieve verblijfsstatus. Na een periode van 15 jaar (!) had Keita weer recht op gezondheidszorg, mocht hij werken, en kon hij trouwen met zijn partner.

Regelgeving in Hongarije
Gedurende 13 jaar erkende Hongarije Keita niet als staatloze. Hongarije stelde dat Keita pas kon worden erkend op het moment dat hij ‘lawful stay‘ (rechtmatig verblijf) had. En dat had Keita, behalve een korte periode van 2006 tot 2008, niet gehad. Uiteindelijk bepaalde het Hongaarse Constitutionele Hof in 2015 dat de eis van rechtmatig verblijf niet kon worden gehandhaafd. De voorwaarde werd geschrapt en voor Keita lag de weg vrij om te worden erkend als staatloze en een verblijfsvergunning toegekend te krijgen. Maar dat was wel na 15 jaar leven in onzekerheid, zonder recht op voorzieningen…

Oordeel van het Hof
Keita stapte nadat hij een verblijfsvergunning kreeg toch naar het EHRM. Keita was van mening dat de 15 jaar durende weigerachtige houding van de Hongaarse staat in strijd was met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens: het recht op een privé- en gezinsleven. De vraag waar het Hof voor stond was of Hongarije voldoende mogelijkheden had geboden om Keita’s rechtspositie te bepalen, mede in het licht van artikel 8 EVRM. Het Hof overweegt dat dat niet het geval is geweest:

  • Keita heeft gedurende 15 jaar in onzekerheid verbleven en kon in deze periode niet werken, had geen recht op gezondheidszorg en mocht niet trouwen met zijn partner;
  • Keita is uiteindelijk daadwerkelijk erkend als staatloos door Hongarije;
  • Het Hof gaat voorbij aan het feit dat er formeel in Hongarije wel een mogelijkheid bestond om te worden erkend als staatloos, nu deze mogelijkheid gedurende 15 jaar feitelijk onbereikbaar was voor Keita;
  • In 2006 hadden de Nigeriaanse autoriteiten Keita uitdrukkelijk niet erkend als onderdaan. Het Hof stelt dat de Hongaarse autoriteiten Keita toen hadden moeten wijzen op de mogelijkheid om zich als staatloze te laten erkennen omdat hij toen rechtmatig verblijf had. Dat de Hongaarse autoriteiten dit hebben nagelaten, wordt hen aangerekend;
  • Tot slot overweegt het Hof nog dat het feitelijk onbereikbaar zijn van de erkenning van staatloosheid in strijd is met het Verdrag betreffende de status van Staatlozen uit 1954 van de Verenigde Naties.

Het Hof overweegt dat Hongarije met haar opstelling in strijd heeft gehandeld met artikel 8 EVRM en dat zij met haar handelen een negatieve invloed heeft gehad op het ontwikkelen van een privé- en gezinsleven van Keita. De uitspraak erkent met name dat staatlozen zonder een verblijfsvergunning in een buitengewoon schrijnende situatie verkeren. Zij kunnen als staatloze het land waar ze verblijven niet verlaten, maar staan wel aan de zijlijn.
Deze uitspraak van het EHRM is in lijn met een soortgelijk oordeel van het Hof in de zaak Hoti tegen Kroatië (2018); toen werd geconcludeerd dat de bewijslast voor staatloosheid niet eenzijdig bij de betreffende persoon ligt, maar ook bij de staat waar betrokkene langdurig verblijf heeft.

Staatloosheid in Nederland
Nederland heeft de beide VN-verdragen inzake staatloosheid ondertekend. Toch is er nog altijd geen wettelijke procedure om staatloosheid vast te stellen, ondanks oproepen daartoe van de UNHCR (2011), de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (2013) en het College voor de Rechten van de Mens (2014). Een wetsvoorstel dat toenmalig staatssecretaris Dijkhoff in 2016 indiende is door de huidige staatssecretaris Broekers-Knol weer ingetrokken.
UNHCR Nederland is samen met het Institute on Statelessness en het ASKV Steunpunt Vluchtelingen daarom eind 2019 een petitie gestart, waarmee de overheid wordt opgeroepen om een einde te maken aan staatloosheid in Nederland en om erkende staatlozen ook recht op  verblijf te geven.
De petitie kunt u hier tekenen

Geef een reactie op dit artikel